Opname uit 1970

De huidige Alblasserwaard bestond in de Middeleeuwen uit de stroomgebieden van de Alblas in het westen en de Giessen in het oosten. In de loop der tijd ontstonden hieruit de waterschappen Nederwaard en Overwaard. Al tegen het midden van de veertiende eeuw begon de afwatering via genoemde veenriviertjes problemen te geven en men besloot de afwatering te verleggen naar de uiterste noordwesthoek van het gebied waar de ebstand van het buitenwater het laagst was.

Dit plan resulteerde uiteindelijk in het Kinderdijkcomplex zoals dat er nu nog ligt. De 18 samenwerkende polders van de Overwaard legden in de jaren 1366/68 een 17 km lang afwateringskanaal aan waarvan het einde op de foto zichtbaar is als de rechter van de twee vaarten. Kort daarna deed de Nederwaard iets dergelijks waardoor de linker vaart ontstond. Beide eindigden bij een spuisluis in de Lekdijk op de achtergrond. Toen zich in de achttiende eeuw opnieuw problemen bij de afwatering voordeden, besloten beide waterschappen tot de aanleg van zogenaamde hoge boezems, een soort reservoirs waarin het overtollige water tijdelijk kon worden opgeslagen als lozing op de Lek door hoge waterstand niet mogelijk was.

Deze hoge boezems konden worden gevuld door twee groepen van acht parallel malende bovenkruiers, die naar hun functie als boezemmolens worden aangeduid. Op de foto links vijf van de acht ronde stenen bovenkruiers van de Nederwaard, gebouwd in 1738, met links daarvan een deel van de hoge boezem.

Rechts vier van de acht achtkante bovenkruiers van de Overwaard, gebouwd in 1740, met rechts daarvan een deel van de – nog deels met ijs bedekte – hoge boezem.

(Overgenomen uit: Molens vanuit de lucht door C.A. van Hees)