Een bijzonder verhaal over de Tiendwegsmolen te Hardinxveld-Giessendam.

*

Door Andries van der Graaf.

*

Op zondag 21 mei 1944 omstreeks 22.30 uur, want ook op zondag gaat de oorlog gewoon door, stegen er van verschillende vliegbases in zuidelijk Engeland 532 bommenwerpers op voor verschillende raids op NAZI-Duitsland.  De missie was als altijd; bombarderen van strategische doelen en het verstoren van de Duitse oorlogsinspanning.  Voor deze nacht waren de doelen; Duisburg, Hannover en een vliegveld in België. Ook zou een groot mijnenleg programma deze nacht worden afgerond. Zogenaamde Intruders zouden met de bommenwerpers meevliegen om vliegvelden met Duitse nachtjagers te bombarderen, in een poging deze vliegtuigen uit de lucht te houden.

 

“Onze” bommenwerper, een AVRO Lancaster MK 111 die een spanwijdte had van 34 meter was uitgerust met vier Rolls Royce Merlin 38 motoren met een kracht van elk 1390 paardenkrachten. Hij woog volgeladen met brandstof en bommenlading 30.800 kg. De grootste snelheid was 430 km/u en de radius, waarin actie kon worden gevoerd, 4.800 km. De registratie waaronder hij vloog was ND956 en behoorde tot het 166e squadron, 5e groep en was gestationeerd op de vliegbasis Kirmington  ca. 28 km noordwest van Grimsby. Hij werd gevlogen door een zevenkoppige bemanning; een piloot, een bombardier, drie schutters voor het boordgeschut, waarvan er één tevens marconist was, een navigator en een mecanicién. Zeven jonge mannen, die telkens weer als het hen werd opgedragen, hun destructieve werk deden boven vijandelijk gebied. Een ieder met zijn eigen motieven en idealen. Ieder met zijn pleziertjes, angst en geloof. Zij vervulden hun missie en zagen alleen maar vuur en verderf en waren opgelucht als het toestel weer in westelijke richting ging vliegen in de richting van het veilige Engeland. Weg van dat kruisje op de kaart, waar zij zojuist hun bommen hadden gegooid.

 

Zij kwamen, met uitzondering van twee, echter niet meer thuis. Zij werden achtervolgd door een vijandelijke nachtjager, een Messerschmidt BF-110 die hen in één keer met een dodelijke granaat raakte.

 

De sergeanten John F. Tomney en Bruce F. Bird, mecanicién en navigator konden het brandende toestel per parachute verlaten. Vijf van hen vonden de dood en zijn begraven op de begraafplaats van een plaatsje in de Alblasserwaard waar ze nooit eerder van hadden gehoord: Goudriaan.

 

Ooggetuigen horen om omstreeks 2.00 uur die nacht, hevig machinegeweervuur en zien het brandende toestel kort achter de bebouwing neerstorten. Zij die ter plaatse gaan, kunnen het brandende wrak, door de geweldige hitte niet dichter dan op ca. 150 meter benaderen. Korte tijd later arriveert de Duitse Feldgendarmerie en zet het terrein af. De gemeentewerkman, Teus den Dikken, wordt later die dag opgedragen de menselijke resten bijeen te zoeken. Nog dezelfde dag, omstreeks 19.00 uur worden de mannen te Goudriaan in een voorlopig graf bijgezet.      

Naast deze Lancaster gingen er die nacht nog 30 toestellen verloren. Tien daarvan kwamen terecht in Nederland.  Allemaal vliegtuigen waarnaar wij onze ogen richtten en waaruit we hoop op bevrijding putten. Bemand door jonge mannen die hun leven inzetten, vliegend onder de omstandigheden van ondraaglijke spanning. Zij wisten dat een welgemikt schot van het luchtdoelgeschut of een granaat van een niet tijdelijk opgemerkte jager een vrijwel zekere dood betekende. Een dood in zijn meest gruwelijke gedaante. En toch gingen ze… zodat wij vrij zouden zijn.   

 

Als U de gedachte bekruipt of U niet op een verkeerde site zit te kijken, kom ik nu terzake.

 

We gaan het verder hebben over John Tomney. Ik heb een oud, enigszins verwaarloosd boekje onder ogen gehad waarin John zijn wetenswaardigheden beschrijft. Hij was inmiddels krijgsgevangene (POW) en werd vastgehouden in Stalag Luft 7 in Silezië, Polen. Hij schrijft:

 

“… we bereikten ons doel zonder een vijandelijk toestel of andere vijandelijkheden te ontmoeten. We bombardeerden ons doel en vlogen westwaarts. Toen we ongeveer 2 minuten voor Amsterdam waren werden we in een hel licht gezet door de granaten van een nachtjager. De volgende minuut werd ons rechtervleugel eraf geschoten en granaten ontploften rond het toestel.  De “Skipper” riep, op een toon die geen enkele tegenspraak duldde: “Eruit  jongens, eruit!”  Ik vloog naar de al geopende deur en merkte op dat ik een laars verloor, de andere verloor ik toen ik eruit gesprongen was.  We zaten ongeveer op een hoogte van 7000 meter. Hangend aan mijn parachute bekroop mij de angst dat ik zee zou terechtkomen. Ik wist dat er een God was en begon te bidden, dat als ik in zee zou landen Hij het mij makkelijk zou maken.

Na zo’n twee, drie minuten ging ik door dikke wolkenflarden en merkte op dat het vreselijk koud was.  De wolken braken open en ik zag de grond opkomen om mij te ontmoeten. Voor ik ook maar wist waar ik was, moest ik opnieuw voor mijn lieve leven vechten, omdat ik in het water was terechtgekomen. Ik kreeg het voor elkaar om mij van mijn parachute en Mae West ¹)  te ontdoen en klom uit het water. Ik voelde mij erg verlaten, had geen idee waar ik was en vond iets dat op een karrenspoor leek. Waarom weet ik niet maar ik begon te rennen. Ik voelde dat mijn voeten pijn deden en stopte met lopen. In de verte zag ik een vliegtuig branden. “Is dat onze…? Kwam de rest van de bemanning er ook uit? Zal ik ze nog terugzien? Talloze vragen kwamen bij mij op en bleven in mijn hoofd rondgaan. Waarom weet ik niet maar ik draaide mij om en liep de andere kant op tot ik aan een molen kwam. Ik liep er omheen en voelde aan de deuren. Alles zat op slot. Ik besloot mijn natte kleren uit te trekken om ze te laten drogen. Ik kreeg het voor elkaar de molenaar uit bed te krijgen en werd binnen gevraagd. Daar ontmoette ik ook zijn vrouw, ze was zo rond de zestig jaar. Ik begon te denken dat die Hollanders een paar domoren  waren. Ik stond daar te bibberen van de kou en zij stonden maar met elkaar te kwekken. Ze maakten echter een vuur aan en hingen mijn kleren te drogen. Koffie, brood en kaas stonden als volgende op de lijst, maar ik had helemaal geen honger. Ik was doodmoe en voelde me ziek.

 

22 mei 1944. Ik had ongeveer tot 6 uur geslapen toen de molenaar me een kop thee, een ei en brood met kaas gaf, dat ik met smaak opat omdat ik mij nu wel hongerig voelde. Ik ben in mijn leven nooit meer verbaasd geweest toen er een Hollandse politieman binnen stapte en “Good morning” tegen mij zei, me de hand schudde en toen het “God save the King”, ons Volkslied, begon te zingen. Kort nadat de eerste politieman was gearriveerd kwam er een tweede. Zij brachten mij naar het politiebureau van Sleivgort ²).  Om omstreeks 11.00 uur kwam de Duitse Feldgendarmerie en werden we naar het hoofdkwartier, ik geloof in Dortruk ³) gebracht. Toen ik daar was ontmoette ik onze navigator Bruce Bird maar ik mocht niet met hem spreken. Een vrouw, die vloeiend Engels sprak, probeerde informatie bij mij los te krijgen, maar ik vrees dat ik haar bitter teleurgesteld heb. Terwijl ik zat te wachten naar Tilburg te worden gebracht kreeg ik nog iets te eten. Pas in Tilburg werden Bird en ik voor de eerste keer gefouilleerd sinds we gevangen werden genomen en werden we iedere apart in een cel gestopt. De bedden waren van hout en erg hard maar ik was zo moe dat toen ik lag, ik ook meteen sliep”.

 

Ik heb U uit het boekje van John Tomney alleen de ontmoeting met Frans Vogel, de toenmalige molenaar van de Tiendwegsmolen en zijn vrouw laten meemaken. Wat zullen die mensen geschrokken zijn, toen er in het holst van de nacht op de deuren en ramen werd geklopt. Toch moeten ze al heel snel hebben doorgehad, dat het hier om een geallieerde vlieger ging.

 

John heeft de oorlog overleefd. Hij is in een krijgsgevangenkamp ver in het oosten terecht gekomen. De Duitsers deden dat, om voor de mannen die ontsnapten een extra lange weg terug te creëren. Op die lange vluchtweg zouden ze meer risico lopen opnieuw te worden gepakt. Toen op 18 januari 1945 de Russen het kamp dicht hadden genaderd, moesten de krijgsgevangenen in de richting van het westen gaan lopen. Deze barre tocht duurde tot 8 februari 1945 toen ze arriveerden in Lückenwalde. Daar werden ze op 20 april 1945 door de geallieerden opgevangen. Na 10 maanden en 29 dagen was hij weer vrij.

 

John keerde terug naar Engeland. Werkte zijn arbeidzaam leven vooral in Arabische landen, als technicus in de olie. Hij trouwde met Joyce, kreeg drie zonen en stierf in 1994. Zijn hele leven heeft hij zich afgevraagd waarom hij mocht blijven leven en zijn “Brothers in Arms” stierven. Als ze een paar seconden meer hadden gehad hadden ze wellicht ook kunnen springen. John werd gecremeerd en had zijn vrouw en zonen gevraagd zijn as uit te willen strooien bij zijn kameraden. Dit is gebeurd. Ten bewijze daarvan vindt U, bij de graven en het gedenkteken een klein bordje met een tekst dat daarvan getuigt.       

 

 ---------         

 ¹) Mae West. Mae West was de naam van een wel geproportioneerde filmster. Bij de Air Force en Navy werd een zwemvest zo genoemd, omdat het de uiterlijke vormen zo duidelijk veranderde. 

²) Sleivgort. Bedoeld wordt Sliedrecht.

³ ) Dortruk. Bedoeld wordt Dordrecht. 

 

Hierbij de foto van onze vriend John Tomney. Het viel niet eens mee om hem te vinden. Hij was hier voor het eerst in mei 1985, 40 jaar na de bevrijding.Hij is tijdens zijn bezoek nog uitgenodigd door het gemeentebestuur van Goudriaan wat er uit bestond dat hij in gezelschap van burgemeester S. Top een mooi bloemstuk bij het graf van zijn gevallen kameraden kon leggen en later die dag, op kosten van de gemeente een dinertje kreeg aangeboden, waaraan hij met zijn vrouw, de burgemeester en zijn vrouw en mijn vrouw en ik (Andries) hebben deelgenomen.

Met Arie Horden, de man in Noordeloos die het initiatief nam John en Bruce Bird op te sporen, en onze vrouwen zijn we daarna nog een keer een paar dagen in Wooton geweest. Hij heeft ons toen nog zo’n verlaten vliegbasis laten zien


Deze foto is gemaakt bij de Tiendwegse molen in mei 1992. John en zijn vrouw waren over uit Engeland en bij ons te gast. Ze zijn een paar dagen gebleven en daarna via België weer terug gegaan. Het was de laatste keer dat wij in de gelegenheid waren hem te ontmoeten. Met zijn vrouw Joyce hebben we nog steeds regelmatig contact en we zagen haar deze zomer (2005) nog.