| Het prille begin van een
vrijwillig molenaar… Andries van der Graaf. Kort nadat ik in november 1971 als politieman in Goudriaan was gestationeerd, viel het mij op dat de Goudriaanse Molen stil stond. Tijdens de surveillances op de fiets, die toen eerder regelmaat dan uitzondering waren, ging ik wel eens even bij de molen kijken, maar trof de bewoner niet. Die grote achtkant had wel iets vertrouwds. In Aarlanderveen stonden er zo ook vier van de droogmakerij. Vlak daarbij had ik bijna twaalf jaar dienst gedaan, in Nieuwkoop en omgeving. Ik ging ook daar wel eens kijken en voelde mij in het bijzonder aangetrokken tot het spel van wind, water en techniek. Die molenaars daar, die nog met het echte werk bezig waren, hadden mij niet nodig. En zo troostte ik mij met de gedachte, dat alleen het aankijken van dit werk, mij al veel genoegen verschafte. Op een middag, ik was bijna aan het eind van mijn dienst, trof ik de molenaar buiten bij de molen aan. Ik sprak hem aan en vroeg hem of hij de molen niet even wilde laten draaien. Dat wilde hij niet… en onverrichter zake vervolgde ik. Ik ben echter nogal een vasthoudend typetje en zo kon het gebeuren dat ik enige weken later weer de molenaar trof en mijn vraag herhaalde. De wind stond recht op de fokken en nadat de kettingen aan de roe waren verwijderd, werd de vang opgetrokken. Langzaam kwam de molen in gang en we spraken daar nog een poosje met elkaar. Ik vond inmiddels uit dat de molenaar, Gerrit van Houwelingen, oud 54 jaar en alleenwonend, bij een metselaarsbaas werkte. Hij ging 's morgens op z'n brommer aan het werk, kwam tussen de middag wel even thuis om te eten, als hij vlakbij werkte, maar zelfs dat niet als hij buitenaf op karwei was. In dat geval kwam hij zo tegen 17.00 uur thuis. Vraag mij niet hoe het allemaal precies is gegroeid. Het had wat tijd nodig, maar mijn ontmoeting had dan toch tot resultaat dat ik zaterdags bij hem langs mocht komen om wat van het molenaarsvak op te steken. Als politieman heb je echter het ene weekend dienst en ben je het andere vrij. Als je met het weekend hebt gewerkt, ben je in de week twee dagen vrij. Toen ik wat langer bij Gerrit overhuis kwam, vond hij het goed dat ik, als het niet te hard waaide tenminste, ook op die weekse dagen op de molen kwam. Ik denk dat hij zag dat ik snel leerde en stond mij toe, dat ik de twee zeilen, die nog bij de molen waren, voorlegde. Ik had een uitstekende leermeester aan Gerrit. Op zijn eigen rustige manier legde hij mij uit hoe de zeilen dienden te worden behandeld en de knopen die erbij hoorden. Kruien, soms stiekum op het gaande wiel, lesjes over waterhuishouding, waardoor de boeren tevreden bleven en veel aandacht voor het weer. Ook hield ik mij bezig met het bijhouden van de molen. In de eerste maanden heb ik er emmers vuil en roet uit gedragen. Als ik 's middags thuis kwam keek mijn vrouw met enig ongeloof naar mijn gezicht en handen en vroeg mij dan of ik soms een kolenboot had gelost. Er heeft daar roet en vuil van vele decennia gelegen. Toen dat probleem was opgelost werden de Fauëlfokken onder handen genomen. Het was me overkomen, terwijl ik uit het zuidwesten stond te malen, dat de stukken hout uit de fokken vlogen en in het boezemland terecht kwamen. Na het malen heb ik ze opgehaald en weer netjes op hun plaats teruggezet en het geheel met veel blik en spijkers weer geborgd. Dat kwam, zei Gerrit mij, omdat de molenmaker het nieuwe hout van de fokken toentertijd nat had aangevoerd en het ongeschilderd eraan gespijkerd had. Daarna had men die fokken, nog steeds niet droog, tweemaal geschilderd. De molen, tot dan eigendom van het waterschap "De Overwaard", ging over in eigendom van de gemeente Goudriaan. Ook dit is een leuk verhaal dat ik U niet onthoud. Het is handig als je politieman bent in een zo kleine gemeente als Goudriaan, je een goede relatie onderhoudt met je burgemeester. Burgemeester M. Visser was een vriendelijk en aimabel man, die de activiteiten in de vrije tijd van zijn politieman, niet was ontgaan. Zo rond 1974 vertelde hij mij dat de gemeente was benaderd door het waterschap, met de vraag of zij de molen wilde overnemen. Burgemeester Visser wilde dat graag en had dit met zijn beide wethouders al besproken. Ook zij, J. Vonk en W. de Gier, hadden hier wel oren naar. De burgemeester vertelde het mij en zei erbij dat hij het er op één avond wilde doordrukken. Hij zei: "Als de raad de kans krijgt erover te praten, heb je grote kans dat het mis loopt." Die avond was ik ook van de partij. Ik herinner me dat we slechts met drie man op de publieke tribune hadden plaats genomen toen de vergadering begon. Er kwamen wat algemeenheden die voor mij niet van het minste belang waren. Toen agendapunt 7… verwerving van de Goudriaanse Molen. De burgemeester hield een gloedvol betoog waarom het voor de gemeente nuttig was een bijdrage te leveren aan het onderhoud en behoud van dit voor de gemeente zo karakteristieke monument. De beide wethouders knikten om dit te onderstrepen. Daarna barste de discussie los. Gemeentebelangen voelde er wel voor. De ARP stond er niet onwelwillend tegenover en de VVD hield zich nog even op de vlakte. De twee afgevaardigden van de SGP zagen er echter helemaal niets in. "Molens, meneer de voorzitter, het zijn akelige dingen, als je veel water hebt is er geen wind en als ze het moeten doen zijn ze kapot!" Zijn confrère beaamde dit en ik kreeg het warm. Een man op de publieke tribune fluisterde mij toe dat hij beter zijn mond kon houden. Wat wist hij ervan? Hij was voorheen van Overlek gekomen en die hadden altijd wat… De discussie werd wat breder, maar ik kon al aardig uittellen dat het er niet ongunstig uitzag. Op dat moment stelde de man, dat als de molen kapot zou gaan, dit de gemeente wel eens heel veel geld zou kunnen gaan kosten en vaklui om een molen te maken waren er niet meer… Kennelijk wist de burgemeester hier niet goed een antwoord op en mocht ik getuige zijn van een voorbeeld van ware democratie, dat ik daarna nooit meer heb meegemaakt. Niet het minst uit het veld geslagen richtte hij zich tot mij en zonder de vergadering te schorsen, kreeg ik het woord. Ik hield daarop een enthousiast verhaal over de molenmakersfirma die in Arkel gevestigd was en voor ieder probleem een oplossing had. Ik maakte gelijk van die gelegenheid gebruik om te vertellen, dat ik al geruime tijd met veel liefde daar aan de Molenkade veel werk verzette. Ik vertelde dat ik niet geheel gespeend was van een bepaalde handigheid en mijn sporen op het gebied van een geoefend knutselaar al eerder had verworven. Ik zegde toe "…kleine timmerklussen te willen doen en al het verfwerk, voorzover ik erbij kon, en dat allemaal voor niks." Dat maakte indruk. Na nog een korte discussie werd de molen eigendom van de gemeente Goudriaan met slechts twee stemmen "teuge." Ik had nu een "geldkraan", weliswaar heel bescheiden, maar er kwam tenminste geld ter beschikking. Eerst een paar zeilen erbij en met dhr. De Kramer, later L. Vellekoop van de Provincie, een prioriteitenlijst gemaakt. De ambtenaar belast met "gebouwen", die in Groot Ammers zetelde, had al te verstaan gegeven dat hij niks van molens wist en mij daar volgaarne geheel vrij in wilde laten. Mijn vangnet was in eerste instantie Gerrit en in tweede instantie de beide heren, net genoemd, van de Provincie. Zo werd het aanboren van fondsen een sport, waar ik toch al snel een bepaalde bedrevenheid in kreeg. In 1974 organiseerde ik een molendag voor Goudriaan. Er verscheen een "Molenkrant" die bijna gratis voor mij werd gedrukt, maar de adverteerders mij betaalden. Er is een prijsvraag dus dat kost weer iets. De ligplaats van de politieboot aan het molenerf moest worden betaald en in de molen komt een "molenpot", waarin bezoekers worden uitgenodigd geld te doen. Het eerste jaar dat ik mij ermee bezig houdt leveren die activiteiten al meteen fl. 1014.50 op. Door de jaren heen toont vooral de scheepswerf in Groot Ammers zich een genereus sponsor. Zij leveren een nieuwe windpeluw, een korte spruit, 26 schoepen voor het scheprad, een wachtdeur, twee rolvloeren (boven en onder) en veel klein ijzerwerk. Al heel snel na mijn eerste activiteiten leerde ik dat er een "Gilde van Vrijwillige Molenaars" was. Ik sloot mij daar direct bij aan. Naast de wijze lessen op de Goudriaanse Molen trok ik ook het land in om bij andere molenaars en hun molens te gaan kijken. Molenaar van der Hoven van de Noordeveldse Molen in Dussen zag mij daar ook. Later hoorde ik dat hij tegen een collega-molenaar had gezegd "…die politieman van de Goudriaanse Molen was niet erg onder de indruk van de grootte van mijn molen. Hij stapte er zo dapper op aan." Zo kan het van "jongs af aan" bekend zijn met een grote molen een voordeel hebben. Op 3 mei 1975 haalde ik het zo fel begeerde molenaarsdiploma op de Oukoopse wip te Hekendorp. Ik mocht (vrijwillig) molenaar zijn… |