Naam  Jonge Sophia klopt niet met uiterlijk en leeftijd


Korenmolen De Jonge Sophia, een achtkantige grondzeiler in Ottoland, is volgens A.G. Kooiman Azn vermoedelijk gebouwd in 1773. Dit jaartal stond met de naam op het kopschild, dat tegelijk met de kop rond het jaar 1920 is verdwenen. Kooiman heeft uitgezocht, dat Job Koome de oudst bekende eigenaar moet zijn. Koome heeft namelijk op 9 november 1792 zijn handtekening geplaatst onder een zogenaamde hypotheekbrief.


Dit verhaal heeft eerder gestaan in de Weekeind Post van 7 februari 1991 en is op 27 augustus 2003 door de Hr. A.G. Kooiman op enige punten verbeterd.

A.G. Kooiman Azn aan het woord over de Jonge Sophia : 
De hiervoor genoemde datum hoeven we niet aan te houden, want de ondertekening van deze borgstelling was een uitvloeisel van de per 1-12-1790 gewijzigde Wet op het Gemaal. Het is denkbaar dat het even geduurd heeft voordat de gewijzigde formulieren Ottoland bereikt hebben. In de archieven van de Gaardermeester komt zijn naam op de ,,Binnenlandschen  Omslag"  voor het eerst voor in 1794, waarin hij wordt opgegeven in de "ordinaire verpondinge", ofwel aanslag. Ook deze datum geeft geen houvast, omdat hij zeer wel al eerder aangeslagen kan zijn, de archieven gaan echter (nog) niet verder terug. Wel bekend is dat de molen op 12-8-1783 publiek is verkocht. Job Koome zou toen eigenaar geworden kunnen zijn.

Er zijn wat raadsels rond de aankoop van de molen. Op 6-12-1781 betaalt Job Koome  f.27,-- aan de armmeesteren van Ottoland, zijnde de rente à 3% over een kapitaal van f. 900,--.
Hij heeft dit bedrag dus geleend van de armmeesteren, een instelling wiens werk later door de diakonie werd overgenomen, - vòòr of in 1781.
Tussen 1781 en 1772 zijn de rekeningen niet bewaard gebleven, in 1772 komt zijn naam er niet in voor. Vervolgens heeft hij in 1783 problemen met een houtleverancier uit Schoonhoven vanwege een door deze geleverde partij hout, welke door onze molenaar nog niet is afgerekend. Schout en schepenen komen er aan te pas. Is het geleverde hout gebruikt voor de (ver)bouw van de molen in 1773?  Is de lening bij de armmeesteren  gebruikt voor de aankoop van de molen?  Het antwoord op deze vragen is voorlopig niet te geven.

 

Naam.

De naam zal wel gezocht moeten worden bij het dochtertje van Job K. genaamd Sophia,  te Groot-Ammers gedoopt op 18-9-1768. Zij trouwt te Ottoland  op 31-3-1797 met  Cornelis Saars, geb. te Sliedrecht op
18-5-1759.
Het echtpaar Saars-Koome laat op 2-11-1797 testament opmaken voor Schout Rogier Diederik van Slijpe en de schepenen  Bastiaan Vermeij en Teunis Aantjes.
Cornelis Saars heeft dan de molen overgenomen van zijn schoonvader, welke op 14-8-1802 overlijdt. Zijn weduwe Geertrui van Scherpenzeel betaalt tot 1807 de eerder genoemde rente aan de armmeesters. Na 1807 vinden we deze rekeningen niet meer.
Cornelis Saars is dus de volgende molenaar. Cornelis en Sophia hebben 1 dochter (2 kinderen zijn op jeugdige leeftijd overleden) Cornelia Guys Saars.
De toevoeging Guys aan haar achternaam dankte zij aan haar grootmoeder van vaderszijde, Geertruida Cornelis Guys. Cornelia trouwt op 25-5-1815 te Goudriaan met Pieter Ceele, knecht bij haar vader. Op 23-6-1816 wordt zij weduwe door het overlijden van Pieter en zij hertrouwt op 26-1-1817 te Goudriaan met Andries Kooiman, onderwijzer te Langerak. Het echtpaar Kooiman-Saars krijgt 6 kinderen, waarvan op 20-12-1819 Cornelis geboren wordt als 2e kind en oudste zoon.
Andries Kooiman wordt niet oud, op 38-jarige leeftijd is hij te Langerak op 12-10-1825 overleden. Cornelia Guys Saars, opnieuw weduwe geworden, hertrouwt met collega Aart Bakker en vertrekt met hem naar Polsbroek.
Zoon Cornelis zal niet veel gezien hebben in het hanteren van de plak en het omgaan met de tere kinderzieltjes. Wellicht luisterde hij liever naar het kraken en andere geluiden welke bij het molenaarsvak behoren. Hij wordt de opvolger van grootvader Saars. Of dit uit vrije wil ging of onder dwang, hetgeen later wel voorkomt, we weten het niet.
Cornelis Saars overlijdt op 10-7-1836. Cornelis Kooiman is dan ruim 16 jaar, naar onze begrippen rijkelijk jong om een korenmolen te runnen. Wellicht heeft hij samen met een ervaren knecht de zaak op gang gehouden, terwijl moeder Geertruida - zij het uit de verte - misschien ook nog enige controle uitoefende.

Op 5-12-1844 is hij echter wel degelijk eigenaar en molenaar. Hij krijgt het op die dag aan de stok met 2 ambtenaren van de Dir. Belastingen. Cornelis heeft zijn zaakjes niet voor elkaar en krijgt een boete van f 50,-- Een aardig St. Nicolaas cadeautje.

 

Hardleers. 

Cornelis is hardleers. Anderhalf jaar later krijgt hij opnieuw bezoek van dezelfde heren. Hij heeft het nu helemaal bont gemaakt en tracht zelfs de ambtenaren nog in de maling te nemen. Hij heeft overtreden de wet op het gemaal van ,,den 29 maart 1833 Staadsblad no. 3 en wel daarvan art. 22 vijfde zinsnede en geïncurreerd de daarop gestelde boete ten bedrage van 425 guldens. ' Bovengenoemde wet, artikel en zinsnede vermelden:  “...bij het ter maling uitstorten van elke zak ener partij graan, zullen zij op de binnenzijde van het dubbel van het accijnsbiljet, of van het consentbiljet, daartoe behorende en wel over gehele lengte, met rood krijt, stellen eene duidelijke en zichtbare streep ...,enz."
Cornelis heeft in een aantal gevallen verzuimd de rode streep te plaatsen, erger, zelfs enige biljetten in het geheel niet in te vullen en dus ook niet het consent in de (verzegelde) molenbus te deponeren. De zwartmaler.
Cornelis trouwt te Goudriaan op 2-5-1850 met Neeltje de Bie, dochter van Antonie Timmers de Bie en Grietje Brandwijk. Zij krijgen 6 kinderen, waarvan Andries en Cornelis het bedrijf voortzetten. In 1856 wordt de molen verbouwd. Hij wordt dan ook verhoogd, terwijl waarschijnlijk ook toen pas de houten onderbouw vervangen werd door steen. De eerste steen van  deze verbouwing werd gelegd door Andries Kooiman, 5 jaar oud. Deze steen - nu nog aanwezig - vermeldt de letters A.K.M. en het jaartal 1856.
Cornelis Kooiman overlijdt 24-7-1890. Zijn weduwe zet het bedrijf voort met haar zoons Andries en Cornelis. Zij verzoekt in 1895 aan B. en W. van Ottoland toestemming tot oprichting van een "stoom"korenmolen. Het karwei wordt uitgevoerd door J. Beltman J.W. zn. uit Deventer, molenbouwers.

Niet alleen in het bedrijf dient alles naar behoren te verlopen, ook in de huishouding dient dit te geschieden. Het gedoe met huishoudsters is ook niet alles, zeker niet nadat moeder Neeltje is overleden. Andries is vermoedelijk een verstokte vrijgezel en zal gewenst hebben zulks te blijven. Het is Cornelis, die zich een bruid verwerft, hij trouwt op 10-3-1905 te Ottoland met Aantje Leeuwis, geboren te Wijngaarden op 16-1-1877, dochter van Cornelis Leeuwis en Huibertje Wallaard.

 


Pentekening van Rook van Vuuren van de nu 230-jarige Jonge Sophia.
 

Petroleummotor

Er wordt niet alleen maar getrouwd. Op 10-6-1905 verzoeken de gebr. A. en C. Kooiman aan B. en W. van Ottoland vergunning tot het herstellen van de "Stoom"korenmolen, daarin geplaatst een petroleummotor. In de betreffende aanvraag wordt gesproken over een "stoom"korenmolen en een graanmolen. De oorzaak van dit herstel komt voort uit het stukspringen van het vliegwiel der machine, waarmede de "stoom"korenmaalderij wordt uitgeoefend, waardoor de machine en het gebouw deerlijk zijn gehavend.
De nieuwe krachtbron wordt een petroleummotor,  een Crossley-motor van 15½ p.k., in beweging brengende twee paar molenstenen, in de windmolen aanwezig.  Deze installatie voldoet waarschijnlijk niet, want op 5-6-1907 verzoeken de Gebr. Kooiman vergunning  "ter vervanging van hunnen bestaande petroleummotor te mogen plaatsen in hun bestaande machinekamer een zuiggasmotor van 25 pk.voor het aandrijven eener graanmaalinrichting".
Het is duidelijk dat het bedrijf niet meer afhankelijk was van de wind als aandrijfkracht. Wel werd deze nog gebruikt bij gunstige wind, omdat dat tenslotte goedkoper was als petroleum. Toen echter het capaciteitsverschil te groot werd was ook dat afgelopen. Het onderhoud aan kap en wieken was na 1895 sterk terug gelopen, in feite achterwege gelaten. Rond 1915 zou de bliksem in een wiek geslagen zijn en deze korte tijd later afgewaaid of verwijderd zijn. De molen heeft toen nog lange tijd gestaan met 1 roede, dus 2 wieken, heeft daar volgens zeggen zelfs nog wel eens mee gedraaid. Begin 20er jaren was haar lot beslecht, de kap werd geheel gesloopt, waarschijnlijk in 1926 i.v.m. de bouw van het nieuwe pakhuis. Voor ,,De Jonge Sophia" kwam het monumentenjaar minstens 55 jaar te laat.

 

Graanmaalderij. 

De zuiggasmotor schijnt te voldoen, want het duurt tot 7-9-1931 voordat C. Kooiman sr. (Andries is inmiddels overleden, op 22-2-1930) aan B. en W. vergunning vraagt ,,tot het oprichten van een electrische graanmaalderij, aangedreven door een electrische motor van 40 p.k. welke drijfkracht ontvangt van het Electriciteitsbedrijf te Dordrecht".
Daartoe bleek eerst een transformatorgebouw te moeten worden geplaatst blijkens verzoek van C. Kooiman sr. d.d. 20-8-1931. Snelle besluitvorming bestond toen wel, want op 21-8-1931 verlenen B. en W. al toestemming. Het transformatorgebouw wordt gebouwd door W. Boer uit Goudriaan. Het duurt iets langer voor de toestemming afkomt om de electrische installatie te plaatsen, terwijl deze toch in de molen komt en geen nieuwbouw hoeft plaats te vinden. Inmiddels hebben echter hinderwet en veiligheidswet hun intrede gedaan. Het bedrijf draagt nog de naam van werkplaats en is dus geen fabriek, er werken inmiddels 4 personen.
De installatie wordt uitgevoerd en opgeleverd. door D. Ottevanger, molenbouwer uit Moercapelle. De inrichting moet voltooid en in werking gebracht zijn vòòr 1-12-1931. Cornelis Kooiman sr. overlijdt op 21-9-1938. Zijn zoons Cornelis (geb. 15-3-1907) en Andries (geb. 21-8-1911) zetten het bedrijf voort. Aantje Leeuwis overlijdt op 31-3-1954.

 

Hamermolen.

 Op 17-2-1939 verzoeken de gebr. C. en A. Kooiman, graanhandelaren te Ottoland, vergunning tot uitbreiding van de graanmaalderij door het bijplaatsen van een hamermolen met toebehoren, aangedreven door een electromotor van 43 p.k. en een van 6 p.k. voor aandrijving van de hulpwerktuigen.
De vergunning wordt verleend op 7-4-1939. De inrichting dient voltooid en in werking gebracht te zijn vòòr 1-6-1939.
Er zijn later nog meerdere verbouwingen en uitbreidingen uitgevoerd. Eind 40- of begin 50-jaren werd laatstgenoemde hamermolen weer vervangen. Toen zijn tenslotte ook de grote houten kamraderen verdwenen, het laatste wat herinnerde aan de aandrijfkracht van voorheen.
Eind 50- en begin 60-jaren werd er veel uitgebreid. De oude molen vormde toen nog maar een klein gedeelte van de totale  bedrijfsoppervlakte. Een probleem werd de aanvoer van grondstoffen. Voorheen gebeurde dit per schip doch door teruglopen van het onderhoud aan de boezem werd deze te ondiep, zodat per vracht steeds minder geladen kon worden waardoor echter de bruggen weer moeilijk te passeren waren.
De aanvoer moest nu per vrachtauto gaan plaats vinden, een kostbare zaak.
In 1967 viel de beslissing: verkopen.
Nog enige jaren heeft het bedrijf onder de naam ,,Alvee" de omgeving van veevoeders voorzien. Ook hier kwam een einde aan.
Een familiebedrijf ging na 184 jaren gedeeltelijk en na 186 jaren geheel in vreemde handen over.

C.  Kooiman, overleden 07-08-1986
A.  Kooiman, overleden 17-03-1985

De romp van de oude molen stond nu weer geheel vrij in de polder, helaas vanuit het noord-oosten belemmerd door het waterleiding-pompstation en zelfs dat is niet meer het geval.
In november 1999 werd zij door enige enthousiaste "molenfielen" van de sloop gered en naar het Streekcentrum "Het Liesvelt" verplaatst, waar met man en macht gewerkt wordt om haar in oude glorie te doen herrijzen.

De naam "De Jonge Sophia" is niet meer in overeenstemming met haar uiterlijk en haar leeftijd. Met een 230-jarige is dat te verwachten, aldus

A.G. Kooiman Azn

 

 

 

Naschrift.

Op een "Caerte van den Overwaert” daterende uit 1706, is op dezelfde plaats al een "Corenmolen" getekend. Een nòg vroegere vermelding dateert uit 1690. In dat jaar erfde Carolus Pietersz Vijve (of Vijne), ".. coornmolenaar, wonende te Ottelant, als getrout hebbende Sijtie Crijners van de Swaen .." de korenmolen van zijn schoonvader Crijn Jacobsz van de Swaen. Of er een (familie)relatie bestond tussen de fam. v/d Swaen en Job (C)Ko(o)me(n) of diens echtgenote Geertrui van Scherpenzeel, is nog niet onderzocht.

Het is zeer waarschijnlijk dat in de archieven van het Hoogheemraadschap gegevens te vinden zijn over de bouw van een korenmolen in de 17e of 18e eeuw.
De molen stond gedeeltelijk op en gedeeltelijk in de teen van de boezemkade en de bouw ervan zal niet zonder medeweten van genoemd geacht gezelschap hebben plaats gevonden.

Daar waar in het bijgaande artikel gesproken wordt over een "stoom"korenmolen moet deze benaming niet al te letterlijk worden genomen. De krachtbron, welke in 1895 werd geinstallerd was een 15½  P.K. Crossley petroleummotor, die 2 paar molenstenen in beweging bracht.

Het "stenen billen" vond plaats tot eind 40er, begin 50er jaren. Mijn vader die, als jongste firmant en in het bezit van het meeste geduld, deze klus op gezette tijden moest klaren werd tot aan zijn laatste levensdagen daaraan herinnerd door de uiterst fijne stukjes ijzer van de bilhamer, welke zich in de huid van zijn handen hadden genesteld zonder daar verder enig kwaad aan te richten.