De Polder Streefkerk en zijn Molens

De Molenstichting heeft al lang de wens om het molencomplex in Streefkerk te herstellen in zijn oorspronkelijke toestand. Nu is deze wens weer actueel geworden.

De voorzitter Dhr. C. Bakker heeft o.a. in een interview met Radio Rijnmond naar voren gebracht, dat een compleet herstel technisch mogelijk is, echter het kost een hoop geld. Maar het is na Kinderdijk het meest bijzondere gebied van onze waterhuishouding en het zou mooi zijn als dit stukje historie hersteld zou kunnen worden.

 

Dit is een artikel, geschreven door Drs. H.A. Visser, oud bestuurslid van de Molenstichting (SIMAV) en bekend van zijn vele oude foto's en boekjes over molens.

Na 1 Januari 1973 werden de zelfstandige polders van dit gebied opgeheven en opgenomen in het waterschap "De Nederwaard". De molens zijn in 1952 stilgezet, omdat de functie van de Streefkerkse polder overgenomen werd door een electrisch gemaal aan de Lekdijk. De functie van de molens werd overbodig en de molens zijn in verval geraakt. 

Hieronder een kaart en daarna een tekst over hoe het is geweest.

Zet de muispijl op de molen en zie een oude foto.

 

De polder Streefkerk en zijn molens.

(overgenomen uit jaarboek 1986)

De waterschappen

Evenals de Overwaard was ook het waterschap de Nederwaard’ van oudsher een boezemwaterschap. Beide waterschappen in de Alblasserwaard beheerden een eigen boezemgebied en als met de polder ‘Papendrecht’, die zijn polderwater rechtstreeks op de Noord loost, buiten beschouwing laat, kan men zeggen dat het gebied van de boezem van de Nederwaard het gehele Zuidwestelijke deel van de Alblasserwaard omvat.
De boezem van de Overwaard omvat het Oostelijk deel van de Alblasserwaard, alsmede het gehele oude land van Arkel benenden de Zouwe. De boezem van de Nederwaard bestaat uit een lage en een hoge boezem.

De lage boezem heeft een oppervlakte van ongeveer 140 ha., waarvan ongeveer 78 ha. boezem en ongeveer 62 ha. boezemland. Ze wordt voornamelijk gevormd door de twee watergangen, de Graafstroom of de Alblas en het zogeheten ‘Nieuwe Waterschap’.

Het stroomgebied van de Alblas ontwikkelde zich in de loop der tijden tot de latere Nederwaard en dat van de Giessen tot de Overwaard. Tot het boezemgebied van het waterschap de Nederwaard behoorden twaalf zelfstandige polder, met elk een eigen bestuur. Het waren: de polder Alblasserdam, bestaande uit de delen Blokweer, Kortland en Vinkenpolder; de polders Souburg, Oud-Alblas Noord- en Zuidzijde, Bleskensgraaf, Zuidzijde Hofwegen en Ruybroek, Wijngaarden, Sliedrecht, Giessen Oudebenedenkerk, Molenaarsgraaf, Gijbeland en Noordzijde Hofwegen, Brandwijk Zevenhoven en Langenbroek en tenslotte de polder Laag Blokland.

Al deze polders, die eeuwenlang zelfstandig zijn geweest en een eigen bestuur hebben gehad, werden per 1 januari 1973 als bestuurlijke eenheden opgeheven. Ze werden opgenomen in het grote geheel van het waterschap de Nederwaard. Met de polders van de Overwaard, ging het per diezelfde datum evenzo.

Per 1 januari 1984 had een verdere concentratie plaats: de vroegere waterschappen de Nederwaard en de Overwaard, alsmede de Hoogheemraadschappen van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, werden verenigd tot het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. Daarmede kwam een einde aan een organisatie, zoals die eeuwenlang had bestaan.
Hoewel geografisch behorend tot het gebied van de (vroegere) Nederwaard, waren er drie polders, die niet tot haar boezemgebied moesten worden gerekend en wel omdat zij rechtstreeks lozen op het buitenwater. Twee van deze polders liggen naast elkaar langs de Lek: westelijk de polder ‘Nieuw-Lekkerland’ en oostelijk daarvan de polder ‘Streefkerk’. De derde, de polder ‘Papendrecht’, ligt in de Zuidwesthoek van de Alblasserwaard en slaat haar water uit op de Noord. Het is de polder ‘Streefkerk’, die we nu wat nader willen bezien.

De polder Streefkerk met Kortenbroek

Deze polder heeft binnen zijn administratieve grenzen een totale oppervlakte van omstreeks 1555 ha, terwijl de eigenlijke waterstaatkundige polder omstreeks 1530 ha beslaat, waarvan 1340 ha voor het deel Streefkerk en 190 ha voor het deel Kortenbroek. De begrenzing kan als volgt worden vastgesteld; ten noorden de hoge dijk langs de Lek, ten oosten de Ammerse Kade, ten zuiden de lage boezem van de Overwaard, genaamd het Grote- of Achterwaterschap en ten westen de Zijdeweg, die tevens de grensscheiding is tussen de gemeenten Streefkerk en Nieuw-Lekkerland. Terloops zij hier opgemerkt dat de Zijdeweg deel uitmaakte van de eerste omringdijk van de Alblasserwaard, zoals die in het handvest van 1277 werd bedoeld. De streek tussen deze ringdijk en de toenmalige Merwede, later Noord gelegen, was toen al aan het opkomen en werd waarschijnlijk door zelfstandige waterkeringen beschermd.
Vanaf de Ammerse Kade wordt de polder op korte afstand en ten noorden van de lage boezem van de Overwaard – eigenlijk in de richting zuidwest naar noordoost – doorsneden door de Achterdijk. Deze Achterdijk vormt de scheiding tussen het grootste polderdeel, genaamd Streefkerk en het smaller deel met de naam Kortenbroek.
Wat de afwatering betreft, kunnen we vaststellen dat de polder sinds de invoering van de bemaling met windmolens en van oudsher waterstaatkundig gescheiden was in het grotere noordelijke deel Streefkerk en het kleinere zuidelijke deel Kortenbroek.
Men neemt aan dat Streefkerk al in 1310 een kerk had en dat de polder, voordat er molens waren, door een viertal sluisjes op natuurlijke wijze afwaterde op de Lek. In later tijd zullen er achter één of meer van deze sluisjes molens zijn geplaatst. In de ‘Informatie’ van 1514 wordt gesteld dat Streefkerk – al vier molens had. Omstreeks 1589 werd overgegaan tot de aanleg van een boezem, waarop het polderwater kon worden afgemalen. In 1608 werd voor de bouw van een nieuwe molen, in plaats van de vorige, die was afgebrand, ruim een hectare land aangekocht en blijkbaar eveneens tot boezem ingericht.

Onder- en bovenmolens

In 1664 werden de toen aanwezige molens afgebroken, de oude sluisjes in de Lekdijk gedicht en aan het benedeneinde van de polder, waar de ebstanden van het buitenwater het laagst zijn, werd een nieuwe sluis in de dijk gebouwd. Achter de dijk, in de Noordwesthoek van de polder, werd een ruime voorboezem aangelegd en drie molens gesticht. In het begin van de 18e eeuw was de getrapte bemaling twee hoog, dat wil zeggen met een lage en een hoge boezem, reeds aanwezig. Op een kaart van de Overwaard van 1706 zien we één boven- en drie ondermolens, deze laatste alle geplaatst aan de Tiendweg. De enige bovenmolen stond nabij de noordwesthoek van de polder aan een rechthoekige hoge boezem, de ondermolens op enige afstand meer oostelijk daarvan. Blijkbaar achtte men de enige bovenmolen, ten opzicht van de drie ondermolens toch onvoldoende, want in 1716 was het aantal bovenmolens vermeerderd tot twee, terwijl het aantal ondermolens beperkt bleef tot drie. De oudste, reeds in 1706 aanwezige bovenmolen, stond aan de Tiendweg en heette daarom ‘de Hoge Tiendwegse Molen’. De andere, de Sluismolen, die dus tussen 1706 en 1716 werd gebouwd, stond eveneens aan de oostzijde van de Hoge Boezem. Van de drie ondermolens stond er één, de westelijke van de in 1706 reeds aanwezig drie, aan de Tiendweg, ten zuiden van het dorp, terwijl de twee andere, die blijkbaar waren gebouwd ter vervanging van de oude oostelijke ondermolen, die verdwenen was, kort bij elkaar waren geplaatst aan een afzonderlijke, nieuw aangelegde lage boezem of ‘Kolk’, die vanaf de zuidoostpunt van de hoge boezem zuidoostwaarts liep tot tegen de Oude Wetering.

Toch voldeed het aldus ontstane stelsel met een lage en een hoge boezem, twee boven- en drie ondermolens nog niet aan de eisen. Opnieuw werd er verandering aangebracht en wel in die zin dat aan de zuidelijke lage boezem nog slechts één ondermolen, de Oude Weteringmolen, overbleef en de oostelijke lage boezem langs de Tiendweg aanmerkelijk werd ingekort. De oude molen aan die boezem, ten zuiden van het dorp, werd afgebroken en vervangen door twee meer naar het westengelegen, veel dichter bij de hoge boezem en op korte afstand van elkaar geplaatste nieuwe molens, waarvan de westelijke de Achtkante en de oostelijke de Kleine Molen werd genoemd. Tevens werd het westelijke deel van die oostelijke lage boezem door een kade, die liep van de Achtkante naar de Sluismolen, driehoekvormig verwijd. Blijkens het opschrift op de baard en de sluitsteen van de toog boven de achtergroot is het bouwjaar van de Achtkante Molen 1761 en kan men dus stellen dat de Kleine Molen in datzelfde jaar werd gebouwd.

Alle vijf molens waren schepradmolens. Het aldus ontstane bemalingsstelsel van molens, kaden en boezems, overigens een zeer interessant geheel, voldeed dermate aan de gestelde eisen, dat het onveranderd in stand werd gehouden en in bedrijf is gebleven tot 1952, in welk jaar een elektrisch gemaal de taak van de molens ging overnemen. Een moeilijkheid bij de bemaling van de Streefkerkse polder was uiteraard de omstandigheid dat de molens in de uiterste Noordwesthoek van de polder waren geplaatst en het polderwater dus tot uit het achterste deel van de langgerekte polder moest worden aangevoerd. Overigens had men dit punt gekozen om dezelfde redenen als die, welke destijds golden bij de plaatsing van de molens van de polder Nieuw-Lekkerland en ook bij de uitmonding van de boezems van de Over- en de Nederwaard te Kinderdijk: zover mogelijk naar het Westen, waar de ebstanden van de Lek het laagst zijn. De hoge Streefkerkse boezem tegen de Zijdeweg aan – waarvoor deze ter plaatse was verhoogd – kon op de lek worden afgelaten door een uitwateringssluis in de Lekdijk, even ten Oosten van het punt, waar de Zijdeweg uitkomt op de Lekdijk. Door een in 1779 gelegde stenen verbindingsduiker in de kade van de hoge boezem was het mogelijk bij gunstige waterstanden de ondermolens ook rechtstreeks op de hoge boezem te laten malen, dus zonder de lage boezems daarbij in te schakelen. Ook tussen de polder en de lage boezems waren twee in 1764 aangelegde wachtsluisjes aanwezig, die, in verband met het wachtsluisje naar de hoge boezem, in geval van watersnood, waarbij de Alblasserwaard onder water zou gaan, een rechtstreekse uitwatering van de polder op de rivier mogelijk zouden maken. De bij één van deze sluisjes staande ‘Sluismolen’ dankte daaraan zijn naam.

Kortenbroek

Het deel Kortenbroek van de Streefkerkse polder werd op de lage boezem van de Overwaard afgemalen door de ‘Broekmolen’ , een molen, die nog aanwezig is en door zijn fraaie ligging in het landschap bij de Zijdebrug bij velen bekend is. Wellicht bestond deze molen al in 1514, het jaar van de ‘Informatie’, maar in elk geval in het begin van de 17e eeuw, al is het twijfelachtig of hij in de loop der eeuwen nooit door een andere werd vervangen. In elk geval is het huidige bovenhuis van veel jongere datum. Oorspronkelijk had de bemaling van Kortenbroek op de boezem van de Overwaard kosteloos plaats. De reden daarvan is niet meer bekend, maar na de stichting van de boezemmolens van de Overwaard ‘aan den Elshout’ in 1740, meende de Overwaard dat ook Kortenbroek in de kosten van die boezembemaling zou moeten bijdragen. Aanvankelijk voelde Streefkerk daar niet voor, maar al in 1743 werd een akkoord bereikt, waarbij het Streefkerk werd toegestaan op de lage boezem van de Overwaard te blijven uitmalen tegen een jaarlijkse vergoeding van vijftig gulden. Eerst in 1916 werd dit bedrag tot ƒ 150, - verhoogd.
Nabij de Broekmolen werd in de Achterdijk een hulpsluisje gelegd, waardoor het mogelijk werd dat beide polderdelen elkaar indien nodig bij de bemaling hulp kon verlenen. Het akkoord van 1743 bleef van kracht tot 1916, in welk jaar de zaak opnieuw werd geregeld. Bepaald werd dat de polder streefkerk het recht van uitmaling op de lage boezem van de Overwaard met de Broekmolen zou behouden en bovendien het recht kreeg om in de Achterdijk doorgangen te maken, waardoor de beide polderdelen met elkaar zouden worden verbonden en één peilgebied zouden vormen. In de wijze van bemaling met de Broekmolen zou evenwel zonder de goedkeuring van de Overwaard geen verandering mogen worden gebracht. Eveneens mocht Streefkerk zonder toestemming geen water van andere polders ontvangen en ook mocht het aantal ondermolens niet dalen tot beneden de drie reeds bestaande.
Met begrijp de bedoeling van deze overeenkomst: de Overwaard wilde niet dat door de Broekmolen meer water op haar boezem werd uitgeslagen dat tot dusverre gebeurde. Het meeste water van de grote Streefkerkse polder moest worden uitgemalen met het hoofdgemaal van drie onder- en twee bovenmolens op de lek. Zo maakten dus Streefkerk en Kortenbroek sedert 1916 één peilgebied uit, dat zijn waterlossing heeft óf door de molens bij de Noordwesthoek op de Lek óf door de Broekmolen op de lage boezem van de Overwaard.

De molens

De ‘Vlucht’ van een molen (de lengte van een roede ofwel de lengte van twee wieken in elkaars verlengde) geeft aanwijzing van de grootte en daarmee van de capaciteit van een windmolen. Wat de zes Streefkerkse molens betreft, kan men niet zeggen dat ze tot de grootste onder de poldermolens behoren, maar ook niet tot de kleinste.

Oude Weteringmolen vlucht        25.80 meter.
Kleine Molen vlucht                   24.50 meter.
Achtkante Molen vlucht             26.40 meter.
Sluismolen vlucht                     27.60 meter.
Hoge Tiendwegse Molen vlucht   27.24 meter.
Broekmolen vlucht                    24.40 meter.

Bij vrijwel elke polder, die met windmolens werd bemalen, bevatte de polderkeur (= verordening) bepalingen tot bescherming van de windvang van de molens. Het planten en hebben van bomen en het oprichten van gebouwen in de nabijheid van de molens werd aan beperkingen gebonden. Ook bij de keur van de polder Streefkerk van dat uiteraard het geval. Na de stichting van het nieuwe gemaal hebben de bepalingen hun betekenis verloren.
Het land in de polder ligt niet overal even hoog. Het polderdeel Streefkerk ligt wat hoger dan Kortenbroek en behalve een aantal kleinere, liggen er in de polder en dan met name in het westelijk deel enkele vrij belangrijke donken of terrein-verheffingen. De meest sprekende is die, waarop het dorp Streefkerk is gelegen. Streefkerk is dan ook eigenlijk geen dijkdorp, maar het ligt vrijwel haaks op de dijk. Hier komt het zand tot aan of zeer nabij de oppervlakte. Vandaar ook dat op deze plaats al heel vroeg bewoning plaats had. Merkwaardig zijn ook de beide walen of wielen langs de oostzijde van de Zijdeweg, een herinnering aan de jaren vóór 1277, toen deze kade een buitendijk was. In die tijd en dus in het verre verleden hebben hier namelijk enkele dijkdoorbraken plaats gehad. Beide wielen, die dus al zeer oud zijn, liggen nog juist in de Streefkerkse polder en het zou dus logisch zijn als deze kade niet tot Nieuw-Lekkerland, maar tot de gemeente Streefkerk zou behoren.

Wegen in en rond de polder

Vóór de Ruilverkaveling zien we in de polder nauwelijks wegen. Er is dan de Kerkstaat in het dorp Streefkerk, die loopt vanaf de Lekdijk tot aan de Hervormde Kerk. Van minder betekenis is de Tiendweg, die aan de westkant van de polder aansluit op de Tiendweg in de polder Nieuw-Lekkerland en dan verder de gehele langgerekte polder Streefkerk doorsnijdt tot aan de Ammerse Kade aan de oostkant. Tenslotte is er de Achterdijk, die vanouds de scheiding vormt tussen de beide waterstaatkundige delen van de polder. Van veel meer belang is de langs de gehele noordzijde van de polder lopende hoge Lekdijk. Behalve de daaraan wonende boeren maakt ook het doorgaande verkeer er een vrij druk gebruik van. Het belang van de langs de oostkant van de polder lopende Ammerse Kade is groter geworden, sinds de Ruilverkaveling de Middenpolderweg heeft aangelegd en die weg aansloot op de genoemde Kade. Overigens heeft men vanaf die Kade een prachtig gezicht op de vier molens van de polder Groot-Ammers aan de overkant van de Ammerse Boezem, het vroegere stroompje de Ammer. Aan de westkant, langs de voormalige hoge boezem, loopt de Hoge Zijdekade. Verder, in de richting van de Zijdebrug, spreekt met van de Lage Zijdekade. De door de Ruilverkaveling aangelegde en hiervóór reeds genoemde Middenpolderweg, die door de gehele polder loopt, heeft voor de boeren de gewenste ontsluiting gebracht en een veel beter bereikbaarheid, ook met zwaardere werktuigen, van hun landerijen. Tot nu toe werden aan deze weg niet minder dan negentien nieuwe boerderijen gebouwd. Drie aansluitende wegen naar de Lekdijk werden aangelegd: Veerweg (genoemd naar het Bergstoepse Veer), de Halfweg en de Randweg.
De gehele polder bestaat uit grasland, waarop door de boeren veel vee wordt geweid. De hoog aan de Lekdijk staande korenmolen, even ten oosten van het dorp Streefkerk, is vrijwel in de gehele polder te zien.

Verval en restauratie

Zoals we in het voorgaande reeds vermeldden, werd in 1952 de bemaling van de Streefkerkse polder overgenomen door een electrisch gemaal aan de Lekdijk. Omdat het nieuwe gemaal het polderwater direct en zonder tussenboezems uitslaat in de Lek, werd de windbemaling afgeschaft, de kaden van de hoge en de lage boezems afgegraven en de boezems zelf verkocht en tot grasland gemaakt. De nog in goed staat verkerende vijf molens werden stilgezet en raakten, nu ze niet meer werden onderhouden, geleidelijk in verval. Aanvankelijk werden ze nog wel door de molenaars bewoond, maar toen het verval verder voortschreed, probeerden ze toch van de molens af te komen. Als eerste brandde de Hoge Tiendwegse Molen in 1961 onder verdachte omstandigheden tot de grond toe af. Het is juist het besluit van de polder Streefkerk geweest, dat enkele personen in de kring van Burgemeesters tot het besef bracht dat, naast de grote landelijke vereniging tot behoud van molens, ook de oprichting van een regionale stichting wenselijk zou zijn. Een stichting dus, die van nabij het oog op de nog aanwezige molens in de streek zou houden en zou trachten deze voor verval en ondergang te behoeden. Dit heeft in 1956 geleid tot de oprichting van de   Stichting tot Instandhouding van Molens in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden  (SIMAV). En het is deze stichting geweest, die zich het lot van de Streefkerkse molens heeft aangetrokken.

 

Ze werden in 1957 voor een symbolisch bedrag van de polder overgenomen, met de bedoeling ze in de volgende jaren te restaureren. Met drie van de vijf molens is dat ook inderdaad gebeurd. Behalve de Hoge Tiendwegse Molen in 1961, ging ook de Sluismolen in de nacht van 27/28 juni 1979 door brandstichting geheel verloren. De Broekmolen werd door de concentratie van polders en waterschappen het eigendom van het Hoogheemraadschap. Hij verkeert in goede staat en wordt goed onderhouden. In geval van nood kan hij nog bij de bemaling worden ingeschakeld. De landschappelijke waarde is groot. Zo is dat van dit zeer interessante geheel toch nog iets overgebleven, maar men zal moeten toegeven dat het niet meer is wat het is geweest. Wat dit bemalingssysteem juist zo interessant maakte, was het samenhangende geheel van onder- en bovenmolens, boezems, kaden en sluisjes. De wijze, waarop onze voorouders met de toenmalige middelen de problemen oplosten, verbonden aan het voortdurend lozen van het overtollige polderwater op de Lek met zijn wisselende standen van eb en vloed. Het was een waterbouwkundig monument, dat behouden had moeten worden als één van de drie polders in de streek, die dezelfde getrapte bemaling hadden.
Nieuw-Lekkerland met twee ondermolens en één bovenmolen, Papendrecht met één onder molen en één bovenmolen, maar alle met een lage en een hoge boezem.
Drie molens van de molengroep en de Broekmolen verfraaien nu nog het landschap, maar het is de wens van de Molenstichting om nog eens te komen tot herbouw van de beide afgebrande molens en tot het weer inrichten van een klein gedeelte van de voormalige hoge boezem. Maar of ooit nog eens de gelden zullen worden gevonden om die plannen uit te voeren…… de tijd zal het leren.

Plattegrond  
  Index