|
De polder Streefkerk en zijn molens.
(overgenomen uit jaarboek 1986)
De waterschappen
Evenals de Overwaard was ook het waterschap de Nederwaard’ van oudsher een
boezemwaterschap. Beide waterschappen in de Alblasserwaard beheerden een
eigen boezemgebied en als met de polder ‘Papendrecht’, die zijn
polderwater rechtstreeks op de Noord loost, buiten beschouwing laat, kan
men zeggen dat het gebied van de boezem van de Nederwaard het gehele
Zuidwestelijke deel van de Alblasserwaard omvat.
De boezem van de Overwaard omvat het Oostelijk deel van de Alblasserwaard,
alsmede het gehele oude land van Arkel benenden de Zouwe. De boezem van de
Nederwaard bestaat uit een lage en een hoge boezem.
De lage boezem heeft een oppervlakte van ongeveer 140 ha., waarvan
ongeveer 78 ha. boezem en ongeveer 62 ha. boezemland. Ze wordt
voornamelijk gevormd door de twee watergangen, de Graafstroom of de Alblas
en het zogeheten ‘Nieuwe Waterschap’.
Het stroomgebied van de Alblas ontwikkelde zich in de loop der tijden tot
de latere Nederwaard en dat van de Giessen tot de Overwaard. Tot het
boezemgebied van het waterschap de Nederwaard behoorden twaalf
zelfstandige polder, met elk een eigen bestuur. Het waren: de polder
Alblasserdam, bestaande uit de delen Blokweer, Kortland en Vinkenpolder;
de polders Souburg, Oud-Alblas Noord- en Zuidzijde, Bleskensgraaf,
Zuidzijde Hofwegen en Ruybroek, Wijngaarden, Sliedrecht, Giessen
Oudebenedenkerk, Molenaarsgraaf, Gijbeland en Noordzijde Hofwegen,
Brandwijk Zevenhoven en Langenbroek en tenslotte de polder Laag Blokland.
Al deze polders, die eeuwenlang zelfstandig zijn geweest en een eigen
bestuur hebben gehad, werden per 1 januari 1973 als bestuurlijke eenheden
opgeheven. Ze werden opgenomen in het grote geheel van het waterschap de
Nederwaard. Met de polders van de Overwaard, ging het per diezelfde datum
evenzo.
Per 1 januari 1984 had een verdere concentratie plaats: de vroegere
waterschappen de Nederwaard en de Overwaard, alsmede de
Hoogheemraadschappen van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, werden
verenigd tot het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de
Vijfheerenlanden. Daarmede kwam een einde aan een organisatie, zoals die
eeuwenlang had bestaan.
Hoewel geografisch behorend tot het gebied van de (vroegere) Nederwaard,
waren er drie polders, die niet tot haar boezemgebied moesten worden
gerekend en wel omdat zij rechtstreeks lozen op het buitenwater. Twee van
deze polders liggen naast elkaar langs de Lek: westelijk de polder
‘Nieuw-Lekkerland’ en oostelijk daarvan de polder ‘Streefkerk’. De derde,
de polder ‘Papendrecht’, ligt in de Zuidwesthoek van de Alblasserwaard en
slaat haar water uit op de Noord. Het is de polder ‘Streefkerk’, die we nu
wat nader willen bezien.
De polder Streefkerk met Kortenbroek
Deze polder heeft binnen zijn administratieve grenzen een totale
oppervlakte van omstreeks 1555 ha, terwijl de eigenlijke waterstaatkundige
polder omstreeks 1530 ha beslaat, waarvan 1340 ha voor het deel Streefkerk
en 190 ha voor het deel Kortenbroek. De begrenzing kan als volgt worden
vastgesteld; ten noorden de hoge dijk langs de Lek, ten oosten de Ammerse
Kade, ten zuiden de lage boezem van de Overwaard, genaamd het Grote- of
Achterwaterschap en ten westen de Zijdeweg, die tevens de grensscheiding
is tussen de gemeenten Streefkerk en Nieuw-Lekkerland. Terloops zij hier
opgemerkt dat de Zijdeweg deel uitmaakte van de eerste omringdijk van de
Alblasserwaard, zoals die in het handvest van 1277 werd bedoeld. De streek
tussen deze ringdijk en de toenmalige Merwede, later Noord gelegen, was
toen al aan het opkomen en werd waarschijnlijk door zelfstandige
waterkeringen beschermd.
Vanaf de Ammerse Kade wordt de polder op korte afstand en ten noorden van
de lage boezem van de Overwaard – eigenlijk in de richting zuidwest naar
noordoost – doorsneden door de Achterdijk. Deze Achterdijk vormt de
scheiding tussen het grootste polderdeel, genaamd Streefkerk en het
smaller deel met de naam Kortenbroek.
Wat de afwatering betreft, kunnen we vaststellen dat de polder sinds de
invoering van de bemaling met windmolens en van oudsher waterstaatkundig
gescheiden was in het grotere noordelijke deel Streefkerk en het kleinere
zuidelijke deel Kortenbroek.
Men neemt aan dat Streefkerk al in 1310 een kerk had en dat de polder,
voordat er molens waren, door een viertal sluisjes op natuurlijke wijze
afwaterde op de Lek. In later tijd zullen er achter één of meer van deze
sluisjes molens zijn geplaatst. In de ‘Informatie’ van 1514 wordt gesteld
dat Streefkerk – al vier molens had. Omstreeks 1589 werd overgegaan tot de
aanleg van een boezem, waarop het polderwater kon worden afgemalen. In
1608 werd voor de bouw van een nieuwe molen, in plaats van de vorige, die
was afgebrand, ruim een hectare land aangekocht en blijkbaar eveneens tot
boezem ingericht.
Onder- en bovenmolens
In 1664 werden de toen aanwezige molens afgebroken, de oude sluisjes in de
Lekdijk gedicht en aan het benedeneinde van de polder, waar de ebstanden
van het buitenwater het laagst zijn, werd een nieuwe sluis in de dijk
gebouwd. Achter de dijk, in de Noordwesthoek van de polder, werd een ruime
voorboezem aangelegd en drie molens gesticht. In het begin van de 18e eeuw
was de getrapte bemaling twee hoog, dat wil zeggen met een lage en een
hoge boezem, reeds aanwezig. Op een kaart van de Overwaard van 1706 zien
we één boven- en drie ondermolens, deze laatste alle geplaatst aan de
Tiendweg. De enige bovenmolen stond nabij de noordwesthoek van de polder
aan een rechthoekige hoge boezem, de ondermolens op enige afstand meer
oostelijk daarvan. Blijkbaar achtte men de enige bovenmolen, ten opzicht
van de drie ondermolens toch onvoldoende, want in 1716 was het aantal
bovenmolens vermeerderd tot twee, terwijl het aantal ondermolens beperkt
bleef tot drie. De oudste, reeds in 1706 aanwezige bovenmolen, stond aan
de Tiendweg en heette daarom ‘de Hoge Tiendwegse Molen’. De andere, de
Sluismolen, die dus tussen 1706 en 1716 werd gebouwd, stond eveneens aan
de oostzijde van de Hoge Boezem. Van de drie ondermolens stond er één, de
westelijke van de in 1706 reeds aanwezig drie, aan de Tiendweg, ten zuiden
van het dorp, terwijl de twee andere, die blijkbaar waren gebouwd ter
vervanging van de oude oostelijke ondermolen, die verdwenen was, kort bij
elkaar waren geplaatst aan een afzonderlijke, nieuw aangelegde lage boezem
of ‘Kolk’, die vanaf de zuidoostpunt van de hoge boezem zuidoostwaarts
liep tot tegen de Oude Wetering.
Toch voldeed het aldus ontstane stelsel met een lage en een hoge boezem,
twee boven- en drie ondermolens nog niet aan de eisen. Opnieuw werd er
verandering aangebracht en wel in die zin dat aan de zuidelijke lage
boezem nog slechts één ondermolen, de Oude Weteringmolen, overbleef en de
oostelijke lage boezem langs de Tiendweg aanmerkelijk werd ingekort. De
oude molen aan die boezem, ten zuiden van het dorp, werd afgebroken en
vervangen door twee meer naar het westengelegen, veel dichter bij de hoge
boezem en op korte afstand van elkaar geplaatste nieuwe molens, waarvan de
westelijke de Achtkante en de oostelijke de Kleine Molen werd genoemd.
Tevens werd het westelijke deel van die oostelijke lage boezem door een
kade, die liep van de Achtkante naar de Sluismolen, driehoekvormig
verwijd. Blijkens het opschrift op de baard en de sluitsteen van de toog
boven de achtergroot is het bouwjaar van de Achtkante Molen 1761 en kan
men dus stellen dat de Kleine Molen in datzelfde jaar werd gebouwd.
Alle vijf molens waren schepradmolens. Het aldus ontstane bemalingsstelsel
van molens, kaden en boezems, overigens een zeer interessant geheel,
voldeed dermate aan de gestelde eisen, dat het onveranderd in stand werd
gehouden en in bedrijf is gebleven tot 1952, in welk jaar een elektrisch
gemaal de taak van de molens ging overnemen. Een moeilijkheid bij de
bemaling van de Streefkerkse polder was uiteraard de omstandigheid dat de
molens in de uiterste Noordwesthoek van de polder waren geplaatst en het
polderwater dus tot uit het achterste deel van de langgerekte polder moest
worden aangevoerd. Overigens had men dit punt gekozen om dezelfde redenen
als die, welke destijds golden bij de plaatsing van de molens van de
polder Nieuw-Lekkerland en ook bij de uitmonding van de boezems van de
Over- en de Nederwaard te Kinderdijk: zover mogelijk naar het Westen, waar
de ebstanden van de Lek het laagst zijn. De hoge Streefkerkse boezem tegen
de Zijdeweg aan – waarvoor deze ter plaatse was verhoogd – kon op de lek
worden afgelaten door een uitwateringssluis in de Lekdijk, even ten Oosten
van het punt, waar de Zijdeweg uitkomt op de Lekdijk. Door een in 1779
gelegde stenen verbindingsduiker in de kade van de hoge boezem was het
mogelijk bij gunstige waterstanden de ondermolens ook rechtstreeks op de
hoge boezem te laten malen, dus zonder de lage boezems daarbij in te
schakelen. Ook tussen de polder en de lage boezems waren twee in 1764
aangelegde wachtsluisjes aanwezig, die, in verband met het wachtsluisje
naar de hoge boezem, in geval van watersnood, waarbij de Alblasserwaard
onder water zou gaan, een rechtstreekse uitwatering van de polder op de
rivier mogelijk zouden maken. De bij één van deze sluisjes staande
‘Sluismolen’ dankte daaraan zijn naam.
Kortenbroek
Het deel Kortenbroek van de Streefkerkse polder werd op de lage boezem van
de Overwaard afgemalen door de ‘Broekmolen’ , een molen, die nog aanwezig
is en door zijn fraaie ligging in het landschap bij de Zijdebrug bij velen
bekend is. Wellicht bestond deze molen al in 1514, het jaar van de
‘Informatie’, maar in elk geval in het begin van de 17e eeuw, al is het
twijfelachtig of hij in de loop der eeuwen nooit door een andere werd
vervangen. In elk geval is het huidige bovenhuis van veel jongere datum.
Oorspronkelijk had de bemaling van Kortenbroek op de boezem van de
Overwaard kosteloos plaats. De reden daarvan is niet meer bekend, maar na
de stichting van de boezemmolens van de Overwaard ‘aan den Elshout’ in
1740, meende de Overwaard dat ook Kortenbroek in de kosten van die
boezembemaling zou moeten bijdragen. Aanvankelijk voelde Streefkerk daar
niet voor, maar al in 1743 werd een akkoord bereikt, waarbij het
Streefkerk werd toegestaan op de lage boezem van de Overwaard te blijven
uitmalen tegen een jaarlijkse vergoeding van vijftig gulden. Eerst in 1916
werd dit bedrag tot ƒ 150, - verhoogd.
Nabij de Broekmolen werd in de Achterdijk een hulpsluisje gelegd, waardoor
het mogelijk werd dat beide polderdelen elkaar indien nodig bij de
bemaling hulp kon verlenen. Het akkoord van 1743 bleef van kracht tot
1916, in welk jaar de zaak opnieuw werd geregeld. Bepaald werd dat de
polder streefkerk het recht van uitmaling op de lage boezem van de
Overwaard met de Broekmolen zou behouden en bovendien het recht kreeg om
in de Achterdijk doorgangen te maken, waardoor de beide polderdelen met
elkaar zouden worden verbonden en één peilgebied zouden vormen. In de
wijze van bemaling met de Broekmolen zou evenwel zonder de goedkeuring van
de Overwaard geen verandering mogen worden gebracht. Eveneens mocht
Streefkerk zonder toestemming geen water van andere polders ontvangen en
ook mocht het aantal ondermolens niet dalen tot beneden de drie reeds
bestaande.
Met begrijp de bedoeling van deze overeenkomst: de Overwaard wilde niet
dat door de Broekmolen meer water op haar boezem werd uitgeslagen dat tot
dusverre gebeurde. Het meeste water van de grote Streefkerkse polder moest
worden uitgemalen met het hoofdgemaal van drie onder- en twee bovenmolens
op de lek. Zo maakten dus Streefkerk en Kortenbroek sedert 1916 één
peilgebied uit, dat zijn waterlossing heeft óf door de molens bij de
Noordwesthoek op de Lek óf door de Broekmolen op de lage boezem van de
Overwaard.
De molens
De ‘Vlucht’ van een molen (de lengte van een roede ofwel de lengte van
twee wieken in elkaars verlengde) geeft aanwijzing van de grootte en
daarmee van de capaciteit van een windmolen. Wat de zes Streefkerkse
molens betreft, kan men niet zeggen dat ze tot de grootste onder de
poldermolens behoren, maar ook niet tot de kleinste.
Oude Weteringmolen vlucht 25.80
meter.
Kleine Molen vlucht
24.50 meter.
Achtkante Molen vlucht
26.40 meter.
Sluismolen vlucht
27.60 meter.
Hoge Tiendwegse Molen vlucht 27.24 meter.
Broekmolen vlucht
24.40 meter.
Bij vrijwel elke polder, die met windmolens werd bemalen, bevatte de
polderkeur (= verordening) bepalingen tot bescherming van de windvang van
de molens. Het planten en hebben van bomen en het oprichten van gebouwen
in de nabijheid van de molens werd aan beperkingen gebonden. Ook bij de
keur van de polder Streefkerk van dat uiteraard het geval. Na de stichting
van het nieuwe gemaal hebben de bepalingen hun betekenis verloren.
Het land in de polder ligt niet overal even hoog. Het polderdeel
Streefkerk ligt wat hoger dan Kortenbroek en behalve een aantal kleinere,
liggen er in de polder en dan met name in het westelijk deel enkele vrij
belangrijke donken of terrein-verheffingen. De meest sprekende is die,
waarop het dorp Streefkerk is gelegen. Streefkerk is dan ook eigenlijk
geen dijkdorp, maar het ligt vrijwel haaks op de dijk. Hier komt het zand
tot aan of zeer nabij de oppervlakte. Vandaar ook dat op deze plaats al
heel vroeg bewoning plaats had. Merkwaardig zijn ook de beide walen of
wielen langs de oostzijde van de Zijdeweg, een herinnering aan de jaren
vóór 1277, toen deze kade een buitendijk was. In die tijd en dus in het
verre verleden hebben hier namelijk enkele dijkdoorbraken plaats gehad.
Beide wielen, die dus al zeer oud zijn, liggen nog juist in de
Streefkerkse polder en het zou dus logisch zijn als deze kade niet tot
Nieuw-Lekkerland, maar tot de gemeente Streefkerk zou behoren.
Wegen in en rond de polder
Vóór de Ruilverkaveling zien we in de polder nauwelijks wegen. Er is dan
de Kerkstaat in het dorp Streefkerk, die loopt vanaf de Lekdijk tot aan de
Hervormde Kerk. Van minder betekenis is de Tiendweg, die aan de westkant
van de polder aansluit op de Tiendweg in de polder Nieuw-Lekkerland en dan
verder de gehele langgerekte polder Streefkerk doorsnijdt tot aan de
Ammerse Kade aan de oostkant. Tenslotte is er de Achterdijk, die vanouds
de scheiding vormt tussen de beide waterstaatkundige delen van de polder.
Van veel meer belang is de langs de gehele noordzijde van de polder
lopende hoge Lekdijk. Behalve de daaraan wonende boeren maakt ook het
doorgaande verkeer er een vrij druk gebruik van. Het belang van de langs
de oostkant van de polder lopende Ammerse Kade is groter geworden, sinds
de Ruilverkaveling de Middenpolderweg heeft aangelegd en die weg aansloot
op de genoemde Kade. Overigens heeft men vanaf die Kade een prachtig
gezicht op de vier molens van de polder Groot-Ammers aan de overkant van
de Ammerse Boezem, het vroegere stroompje de Ammer. Aan de westkant, langs
de voormalige hoge boezem, loopt de Hoge Zijdekade. Verder, in de richting
van de Zijdebrug, spreekt met van de Lage Zijdekade. De door de
Ruilverkaveling aangelegde en hiervóór reeds genoemde Middenpolderweg, die
door de gehele polder loopt, heeft voor de boeren de gewenste ontsluiting
gebracht en een veel beter bereikbaarheid, ook met zwaardere werktuigen,
van hun landerijen. Tot nu toe werden aan deze weg niet minder dan
negentien nieuwe boerderijen gebouwd. Drie aansluitende wegen naar de
Lekdijk werden aangelegd: Veerweg (genoemd naar het Bergstoepse Veer), de
Halfweg en de Randweg.
De gehele polder bestaat uit grasland, waarop door de boeren veel vee
wordt geweid. De hoog aan de Lekdijk staande korenmolen, even ten oosten
van het dorp Streefkerk, is vrijwel in de gehele polder te zien.
Verval en restauratie
Zoals we in het voorgaande reeds vermeldden, werd in 1952 de bemaling van
de Streefkerkse polder overgenomen door een electrisch gemaal aan de
Lekdijk. Omdat het nieuwe gemaal het polderwater direct en zonder
tussenboezems uitslaat in de Lek, werd de windbemaling afgeschaft, de
kaden van de hoge en de lage boezems afgegraven en de boezems zelf
verkocht en tot grasland gemaakt. De nog in goed staat verkerende vijf
molens werden stilgezet en raakten, nu ze niet meer werden onderhouden,
geleidelijk in verval. Aanvankelijk werden ze nog wel door de molenaars
bewoond, maar toen het verval verder voortschreed, probeerden ze toch van
de molens af te komen. Als eerste brandde de Hoge Tiendwegse Molen in 1961
onder verdachte omstandigheden tot de grond toe af. Het is juist het
besluit van de polder Streefkerk geweest, dat enkele personen in de kring
van Burgemeesters tot het besef bracht dat, naast de grote landelijke
vereniging tot behoud van molens, ook de oprichting van een regionale
stichting wenselijk zou zijn. Een stichting dus, die van nabij het oog op
de nog aanwezige molens in de streek zou houden en zou trachten deze voor
verval en ondergang te behoeden. Dit heeft in 1956 geleid tot de
oprichting van de Stichting tot
Instandhouding van
Molens in de
Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden
(SIMAV). En het is deze stichting geweest,
die zich het lot van de Streefkerkse molens heeft aangetrokken.
Ze werden in 1957 voor een symbolisch bedrag van de polder overgenomen,
met de bedoeling ze in de volgende jaren te restaureren. Met drie van de
vijf molens is dat ook inderdaad gebeurd. Behalve de Hoge Tiendwegse Molen
in 1961, ging ook de Sluismolen in de nacht van 27/28 juni 1979 door
brandstichting geheel verloren. De Broekmolen werd door de concentratie
van polders en waterschappen het eigendom van het Hoogheemraadschap. Hij
verkeert in goede staat en wordt goed onderhouden. In geval van nood kan
hij nog bij de bemaling worden ingeschakeld. De landschappelijke waarde is
groot. Zo is dat van dit zeer interessante geheel toch nog iets
overgebleven, maar men zal moeten toegeven dat het niet meer is wat het is
geweest. Wat dit bemalingssysteem juist zo interessant maakte, was het
samenhangende geheel van onder- en bovenmolens, boezems, kaden en
sluisjes. De wijze, waarop onze voorouders met de toenmalige middelen de
problemen oplosten, verbonden aan het voortdurend lozen van het
overtollige polderwater op de Lek met zijn wisselende standen van eb en
vloed. Het was een waterbouwkundig monument, dat behouden had moeten
worden als één van de drie polders in de streek, die dezelfde getrapte
bemaling hadden.
Nieuw-Lekkerland met twee ondermolens en één bovenmolen, Papendrecht met
één onder molen en één bovenmolen, maar alle met een lage en een hoge
boezem.
Drie molens van de molengroep en de Broekmolen verfraaien nu nog het
landschap, maar het is de wens van de Molenstichting om nog eens te komen
tot herbouw van de beide afgebrande molens en tot het weer inrichten van
een klein gedeelte van de voormalige hoge boezem. Maar of ooit nog eens de
gelden zullen worden gevonden om die plannen uit te voeren…… de tijd zal
het leren. |